Wat doen we hier eigenlijk, op de boot van een vreemde vent? Tinder is een plek waar je iedereen kan zijn wie je wil. Een filter, een lijflied, een stukje tekst in je bio en hoppa, daar was Jon. Al 5 jaar van zijn vrouw af is, in het bezit van een seizoenkaart voor Willem 2 en in het weekend gooit ie graag een hengeltje uit. Als ik begreep wat hij daar mee bedoelde. Er kwam een geel gezichtje met een knipoog achteraan getypt. Of ie ook puppy’s verdronk, poepte met de deur open of vrouwen sloeg was niet ter sprake gekomen, dus leek het mij een uitstekend idee om in te gaan op zijn voorstel om mee te komen varen. Met mijn dochter nota bene. Domme trut die ik ben. In mijn tas zit een nagelschaartje, misschien moet ik die dichter bij me in de buurt zetten. Mijn mobiel heb ik onder mijn handdoek neergelegd.
Tot nu toe lijkt hij vooral graag te willen laten zien hoe hard hij kan varen. Ik vind het prima, de snelheid zorgt voor een aangename verkoeling. Hij heeft het voor elkaar gekregen een shagje te draaien tijdjes het sturen, een talent wat niet in zijn Tinderprofiel stond, maar waar ik met wat bewondering naar heb zitten kijken. Nu hangt het ding in zijn mondhoek, terwijl hij motorgeluiden nabootst in een poging Kitty aan het lachen te krijgen. Een dappere poging met een slagingskans van 0%. Maar daar komt hij vandaag nog wel achter. Kitty heeft het niet zo op vreemden, vooral niet van het mannelijk geslacht. Normaal gesproken breng ik haar naar mijn moeder als ik een date heb, maar Jon stond erop dat ik haar meenam. Hij zou cola inkopen en een extra klein zwemvest regelen. Welk kind zou daar nu nee tegen zeggen? De mijne, maar ik wilde hem niet te veel afschrikken.
Jon zelf lijkt niet vatbaar voor mijn ongemak. Hij heeft de motor uitgezet op een rustig stukje van het meer, vlakbij een rietkraag en een verlaten stijger. Vol enthousiasme gooit hij de koelbox open en haalt er twee blikken bier uit. De ene overhandigt ie aan mij en de ander maakt hij met een diepe zucht open terwijl hij zich naast ons laat zakken.
‘Heerlijk hè? Die natuur. Er gaat niks boven een zonnige dag, een koude pils en goed gezelschap.’
‘Er zitten vieze vissen in het Veerse meer,’ zegt mijn dochter. In haar Barbiebadpak zit ze op ons tuinkussen. Van twee handdoeken heeft ze een tent gemaakt om aanraking met de zon of contact met Jon te voorkomen.
Ze haalt de kikkers en de haaien uit een zakje Haribo’s en mikt ze in een emmertje. Er glinsteren kleine zweetdruppeltjes op haar bovenlip terwijl ze met haar andere hand een plastic kers kapottrekt tussen haar tanden.
‘Gaan we bijna naar huis? Ik heb het heet.’
‘Nog effe niet meid. Je moeder en ik gaan elkaar lekker leren kennen. In haar tempo van informatieverstrekking gaat dat wel effe duren.’
Bulderend van het lachen gooit hij zijn laatste bier achterover. Met zijn andere hand houdt hij zijn buik vast. Hoezo geeft hij antwoord op de vraag van mijn dochter? Dat bepalen we zelf wel. Als wij naar huis willen gaan we naar huis.
‘Zonder dollen. Het is toch hartstikke gezellig.’
‘Ja. Heel.’ Stamel ik.
We liggen al 30 minuten stil bij de rietkraag. Jon heeft zijn derde bierblik bijna leeg. De andere twee drijven naast de boot.
‘Zullen we nog een stukje gaan varen,’ stel ik voorzichtig voor.
‘Dat gaat niet mop, er komt zo een vriend van mij iets afleveren.’
Ik krijg het nog warmer. Jon komt overeind zitten.
‘Niet schrikken. Het is een hartstikke aardige kerel. Het bier in die koelbox blijft niet eeuwig koel. Dus hij komt een nieuwe brengen. Zo gepiept.’
‘Maar hoe komt hij dat aan boord? Kunnen we niet terugvaren naar de haven?’
Mijn stem klinkt ongewoon hoog en pieperig. Doorademen Bianca. Doorademen.
‘Lieverd, we zijn toch lekker uit? Hij woont hier om de hoek. Kwestie van effe naar die stijger varen daar.’
Jon lijkt het de normaalste zaak van de wereld te vinden. Misschien overdrijf ik. Hij ziet er wel uit als een man die waarde hecht aan koud bier. Hij heeft toch nog niets raars gedaan?
‘Nou, doe mij dan ook nog maar een biertje.’
‘Zo mag ik het horen. En een zakje chips voor de kleine meid?’
Kitty kijkt niet op of om. Ze heeft hem wel gehoord, we zitten praktisch bij elkaar op schoot in dit kleine bootje.
‘Kitty?’ Ik kijk haar doordringend aan.
‘Geef Jon eens normaal antwoord.’
‘Nee.’
‘Nee wat?’
Kan ze nooit eens een keer een beetje normaal doen tegen vreemden.
‘Nee, gadver.’
Ik knijp met mijn nagels in mijn handpalmen tot al het bloed eruit is getrokken. Mijn kiezen stijf op elkaar. Houd je in Bianca. Houd je in. Dit is niet het moment. Vanuit de verte zie ik een stofwolk ontstaan. Hij wordt steeds groter. Als ie nog maar 100 meter van ons af is, zie ik dat de stofwolk veroorzaakt wordt door een motorfiets, met zijspan. Vlakbij het steigertje stopt hij.
‘Ah. Daar hebben we Arie.’
Arie is een man van minstens 2 meter hoog. Hij draagt een motorpak dat helemaal tot aan zijn kin zit dichtgeritst. Als hij zijn helm afzet schrik ik even. Zijn ene oog zit verstopt achter een lapje. Zoals bij een piraat. Dat je dan nog mag motorrijden. In de zijspan van zijn voertuig staat een koelbox, exact dezelfde als het exemplaar bij ons in het bootje. Hij moet hem met twee handen optillen.
‘Tering hé, wat is dat ding zwaar. En wat is dit voor plek om af te spreken. Kijk hoe goor mijn schatje hiervan wordt. Ik doe geen onverharde wegen, dat weet je toch?’ Hij moet schreeuwen om het stuk tussen de stijger en ons bootje te overbruggen.
Jon schreeuwt niets terug, maar start de motor van de boot en vaart langzaam naar de kant. Hij controleert of de oude koelbox goed dicht zit, zet hem op de kant en pakt de andere box voorzichtig aan.
‘Ah, eindelijk weer koud bier.’ Hij lacht naar me.
Ik kijk naar het blauwe gevaarte dat Arie nu in zijn zijspan tilt. Volgens mij zat de oude nog half vol. Misschien alleen niet meer zo koud. Ergens in mijn onderbuik begint het opnieuw te stormen. Waarom al dit gedoe? Arie zet zijn helm op en trapt zijn motor aan.
‘Nou, dat was me weer een waar genoegen Jon. Altijd gezellig met jou.’
‘Rot op.’
‘Ik dacht dat jullie beste vrienden waren?’
Kitty is overeind komen zitten en kijkt Jon wantrouwig aan. Dit is de eerste keer vandaag dat ze rechtstreeks tegen hem praat. Ook hij lijkt er even van te schrikken. Dan herpakt ie zich.
‘Mannen onder elkaar wijsneus. Die likken elkaars reet niet.’
Kitty lijkt nog wat te willen zeggen, maar dan bedenkt ze zich. Met een nijdig gebaar slaat ze haar handdoeken weer om zich heen. Weg Jon. Probleem opgelost. Soms zou ik willen dat ik ook 11 jaar was.
Volgens Jon is het tijd voor een ander behangetje. Ik snap niet precies wat ie daar mee bedoeld maar hij staat op en maakt aanstalten om de motor te starten. En dat lijkt me een heel goed idee, dit behangetje heb ik wel gezien. Net als Jon de motor wil starten kijkt hij op, lijkt zich te bedenken en schuift van zijn kant van de boot ineens naast me. Hij komt verdomme nog net niet op mijn schoot zitten. Dan slaat ie in een vloeiende beweging zijn arm om mijn schouder. Wat moet dit in godsnaam voorstellen? Over botte pogingen gesproken. Vanachter de rietkraag komt een andere boot aanvaren. De zijkanten blauw met rood bestickerd. Politie. Kwamen die ook op het water?
‘Dag meneer de agent.’ Roept Jon amicaal en hij steekt zijn vrije hand op. De politieboot mindert vaart en komt vlak naast ons liggen. Een man met een bezweet hoofd en een grote snor houdt af met een pikhaak. Zijn politiepak plakt aan alle kanten tegen zijn lichaam, de knoopjes rond zijn buik staan op springen.
‘Goedemiddag. Wij kwamen even kijken of alles ok is. U ligt hier uit vrije wil? Geen motorproblemen? Het lijkt ons hier niet uit te houden qua temperatuur. Drinkt u genoeg water?
Voor het eerst zie ik iets van ongemak in de houding van Jon. Zelfs zijn bierblik heeft ie weggezet.
‘Zeker meneer de agent. Dit is nu eenmaal onze favoriete plek. Mijn dochter vangt hier de grootste vissen, ze is rete fanatiek.’
De agent kijkt verbaast naar Kitty onder de handdoek, Ik draai me met een ruk om naar Jon. Zijn dochter? Jon heeft zijn hand op Kitty’s schouder gelegd. Ze heeft alles gehoord, maar houdt zich muisstil.
‘Als u het zegt meneer.’ De agent kijkt de boot rond. Even blijft zijn blik op de koelbox rusten.
‘Nou, jullie zijn heel wat van plan.’
‘Veeleisende vrouwen aan boord meneer Agent.’ Jon geeft ook hem een knipoog. De agent lacht. Daar heeft ie er zelf ook twee van thuis zitten.
‘Oké dan luitjes. Ieder zijn ding. Blijf genoeg water drinken en zorg dat jullie niet oververhit raken, dan hoeven wij niet uit te rukken om je op te lappen. Aju.’ De agent knikt en loopt dan de schaduw van zijn kajuit weer in.
Ik wil mijn auto in en de airco aan. De koude lucht langs mijn benen voelen tot ik kippenvel krijg en de wereld buiten de auto vergeten. Ik zet desnoods de hele weg naar huis K3 op. We kunnen stoppen bij de McDonalds bij het Rottepolderplein en allebei een eigen menu nemen. Misschien zelf samen kunnen lachen over deze domme dag. Kitty over haar gekke moeder die wéér zo’n sukkel aan de haak heeft geslagen. Ik zal met haar mee lachen en zeggen dat het nu echt klaar is met die mannen.
‘Ja tuurlijk, mam,’ zal ze zeggen en veel te hard aan het rietje van haar lege colabeker zuigen.
‘Jon, wij willen terug naar de haven. Het is laat. Kitty moet morgen naar school.’
‘Dat gaat niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik afgesproken heb met een vriend van mij op het meer. Hij wil ook koud bier, dus ik geef die koelbox even aan hem over.’
Godverdomme die kloterige kut koelbox. Dat ding krijgt verdomme meer aandacht dan ik de hele dag gehad heb.
‘Misschien moet je volgende keer met je koelbox op date gaan.’ Met mijn vlakke hand geef ik een harde klap of de deksel. Het is eruit voordat ik er erg in heb. Kut. Jon kijkt me fronsend aan. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht.
‘Ik wist het wel, humor! Had ik het toch niet mis op de Tinder! Maar van me koelbox blijf je
af.’
Hij trekt hem bij me vandaan en parkeert hem stevig tussen zijn benen. We moeten van deze boot af. Ik voel het aan alles opeens. In een flits gaan alle momenten van de dag door mijn hoofd, achterstevoren afgespeeld. Dan ook onze gesprekken op de app, het eerste telefoongesprek. En in deze omgekeerde volgorde valt het op z’n plek. We zijn in een slechte film beland, Jon in de hoofdrol. Kitty en ik zijn de figuranten, aankleding om het verhaal geloofwaardiger te maken, de politie om de tuin te leiden, een gelukkig gezinnetje te spelen. Om maar de aandacht af te leiden van dat ding tussen zijn benen. De schurk. Een koelbox vol drugs. Of geld. Of organen. En wij gaan die straks overhandigen aan de volgende crimineel. Jon, ik en mijn dochter van 11.
Als een razende denk ik na. Hoe komen we van deze boot. De kant is te ver, uit de boot springen en zwemmen is geen optie. Bovendien zou Jon ons zo weer oppikken en dan weet hij dat we hem in de smiezen hebben. Dat zou de situatie alleen nog maar gevaarlijker maken. Niet in paniek raken. Nadenken. In mijn tas zit het nagelschaartje. Zo onopvallend mogelijk reik ik naar mijn handtas. Ik voel mijn portemonnee, brillenhoes, onderbroek, kauwgom en dan het metaal van mijn wapen. Ik stop twee vingers door de ronde openingen van het handvat en draai het schaartje zo dat ie in mijn handpalm verborgen zit als ik mijn hand terugtrek. Diep ademhalen. Play it cool.
‘Jon, sorry. Het is al goed. We hebben een hartstikke leuke dag. Laten we je vriend blij maken met koud bier en dan teruggaan naar de haven. Wil je me laten zien hoe het stuur werkt?’
Ik pers een glimlach op mijn gezicht. Hij kijkt me aan met een mengeling van verbazing en blijdschap.
‘Tuurlijk! Kom maar bij me staan hier. Dan maak ik een echte stuurvrouw van je.’
Ik pers me tussen hem en het kleine ronde stuurwiel. Zijn buik plakt tegen mijn rug aan, ik voel zijn piemel tegen mijn bikinibroekje.
‘Heel goed. Nu pak je met beide handen het stuur vast zoals ik het doe.’
Het is nu of nooit. In één vloeiende beweging draai ik het nagelschaartje om in mijn hand en druk het ding zo hard als ik kan zijn dijbeen in. Op het moment dat de schaar zijn vlees raakt besef ik me pas dat zo’n steek bij lange na niet genoeg is om een volwassen man uit te schakelen. Maar het is al te laat. Ik draai me om en kijk in zijn verschrikte ogen.
‘Godverdomme, wat flik je me nou?’
Het schaartje staat rechtop in zijn vlees. Er komt niet eens bloed uit. Hij zet een stap naar achter om de schade te bekijken. Nu. Met twee handen geef ik hem een extra duw richting het water. Voordat hij doorheeft wat er gebeurt verliest hij zijn evenwicht, valt met zijn billen op de rand van de boot en tuimelt dan bijna in slow motion door naar achter, in het water. Als hij bovenkomt zijn we al 20 meter bij hem vandaan.
‘Mam, wat doe je?’
Kitty is uit haar tent gekropen en op het tuinkussen gaan staan. Ik pak met twee handen het stuur vast. Net als ik Jon heb zien doen.
‘Ligt Jon daar in het water?’
‘Ja.’
Ze kijkt me grijnzend aan. Het is de eerste keer vandaag. Ik duw langzaam tegen de gashendel. Steeds sneller beukt de boot tegen de golven op. Steeds kleiner wordt de man in het water, dan verdwijnt hij.