De asbak.

Een harde les.

Een week geleden overleed hij. Een van zijn werknemers vond hem met zijn bovenlijf in de Prestige 1600. Een hartaanval, bleek later. De zonnebank had aangestaan, waardoor de werknemer goed kon inschatten hoe lang hij daar al lag. ‘Aan zijn teint te zien zo’n 43 minuten,’ zei ze tegen de politie, en dat ie vast het enige lijk was dat een beter kleurtje had gekregen.  

Omdat er een hittegolf aan kwam had Winny er geen gras over laten groeien. Bij 31 graden in de schaduw blijven lijken niet lang fris. En zij kon ook niet weten dat we eigenlijk van plan waren naar de uitverkoop in de koopgoot te gaan kijken. Maar we hadden dus geen tijd om een nieuwe jurk te kopen en de enige zwarte jurken in onze klerenkast waren eigenlijk voor de winter, van dikke zware wol. Een maillot ging me te ver met dit weer, maar toen we naast elkaar in de spiegel keken begon ik te twijfelen: we leken wel twee vogelverschrikkers met die zwarte jurken boven twee paar witte stokken. Gelukkig vond ik in de badkamer een tube zelfbruiner waar net genoeg in zat om de blote stukken mee in te smeren.

 

Het crematorium leek op een schoenendoos voor ouwe mannenschoenen en werd in het weekend gebruikt als clubhuis van de denksportvereniging. Binnen hing een grote banier met “37ste editie van het Noord-Hollands bridgekampioenschap”. De tafels en stoelen stonden al in wedstrijdopstelling; niemand had de moeite genomen daar iets aan te doen, dus nu zaten de mensen in groepjes van vier aan ronde tafels. De gasten zonder stoel hingen bij de tafel met consumpties, daar stonden in keurige rijen glazen wit, rood, cola en sinaasappelsap. Er kon bier getapt worden uit de muur. Een aantal mannen was bezig met het schikken van de rouwkransen. Het was binnen minstens zo warm als buiten. De dames waren hun wederhelft komen ontdoen van hun colbert, maar het kwaad was al geschied: er hing een smerige geur van zweet in synthetische overhemdoksels. We konden de kist bijna niet zien, het was één grote zee van lelies, chrysanten en tulpen. De kransen hadden een duin gevormd tussen mijn pa en zijn gasten, alsof hij beschermd moest worden tegen het opkomend tij uit de zaal. Op de kleurige toppen las ik teksten als ‘Wel goed smeren daarboven hè?’ en ‘Voor altijd bij ons’. Ik weet niet precies waar dode mensen naartoe gaan, maar dat ie voor altijd bij ons zou blijven leek me zowel de minst gunstige als de minst voor de hand liggende optie.

“We hadden al lang geleden een stilzwijgend pact gesloten: mannen waren lucht. Hun helft van de wereldbevolking werd gedoogd om het zaad, maar het waren allemaal klootzakken onder leiding van de opperklootzak, wijlen Kees, mijn vader. Meer diende er niet besproken te worden. Huiselijk geweld leek me echter een uitzondering.”

De dagen na de crematie was ik een beetje van slag: ik vergat mijn dochter op te halen van school en vond mijn doosje tampons terug in de koelkast. Ik kreeg hem niet uit mijn hoofd. Mijn vader was van een mythische slechterik gereduceerd tot een handje as. Winny had een woordje gezegd, vanaf een iPad las ze de tekst op. Naast haar stond een man die zachtjes over haar rug wreef terwijl zij probeerde haar stem recht te houden. In de zaal was het één groot waterballet, iedereen had de sluizen opengezet. Ik zocht naar tekenen die verrieden dat ze niet écht verdrietig waren. Mijn ogen speurde de zaal af opzoek naar krokodillentranen. Deze mensen waren hier toch ook alleen om zich ervan te verzekeren dat hij wel echt het lootje had gelegd? Dit was toch een toneelstuk? Langzaam sloeg de twijfel toe, ze speelde hun rol wel erg overtuigend. Iets minder emotie was prettig geweest. Ik was er altijd blind vanuit gegaan dat hij slechts een spoor van ellende en lege bierblikken zou achterlaten, waarna hij eenzaam en ongelukkig zou sterven. Bij mijn dagdromen over zijn uitvaart kwam er altijd een beeld in mijn hoofd op van een kille zaal. Alleen zijn boekhouder, huisbaas en wij met z’n tweeën zaten op een klapstoel vooraan in de holle ruimte. Niemand speechte omdat we geen grappige anekdotes kenden of wisten in welke sport hij uitblonk. In mijn gedachte was zelfs de muziek uitgezocht door de begrafenisondernemer, die een playlist had speciaal voor dit soort gevallen. Daarna zouden we naar huis rijden en stoppen bij de McDonalds. Gebogen over onze dienbladen met kipnuggets voor mij en een Happy Meal voor haar maakten we de balans op: niks gemist.

Maar Winny liep over van de grappige anekdotes. Opeens werd mijn vader een man die kon tennissen, de beste kroketten bakte van de hele straat, beter wist hoe de wasmachine werkte dan zij en haar elk jaar op 3 juni meenam naar een chic restaurant, want dat was de datum waarop ze elkaar hadden ontmoet. Dit was het stuk waarbij ze bijna niet meer te verstaan was. Toch hoorde ik haar luid en duidelijk. Elk woord werd ergens in de ruimte tussen ons in ontdaan van ruis en snot en vloog kraakhelder mijn oren in. 3 juni is mijn verjaardag. Ik wist dat hij er geen gras over had laten groeien, maar het idee dat hij dertig jaar lang op 3 juni zijn mooiste das had omgedaan, Winny getrakteerd had op Champagne en haar daarna waarschijnlijk de rest van de nacht geneukt had zonder ook maar één keer aan mij te denken, was alsof hij vanuit zijn kist nog een trap na gaf. Wat was dit voor man? Door mijn oma en moeder geschetst als de grootste lul van het Noordelijk én Zuidelijk halfrond, maar duidelijk in staat een aangepast en sociaal leven te lijden. Hij liet hier verdomme een propvolle zaal jankende mensen achter. Ik moest de neiging onderdrukken om mijn buurman bij zijn kraag te pakken en hem wakker te schudden.

‘Kijk naar ons!’ wilde ik door de zaal schreeuwen. ‘Wij zijn het! Het bewijs van zijn laagheid staat recht voor jullie neus. Hij heeft jullie allemaal gefopt en jullie zijn er met open ogen ingestonken. Droog je tranen en proost op zijn zwakke hart.’ Maar ik riep niks. We sloten aan in de rij om Winny te condoleren. 

 

Nu zit ik met mijn eigen moeder in de keuken in de keuken. We moeten iets bespreken.

‘Mam, Winny kwam met een raar verhaal over Kees.’

‘Het is ook een raar mens, was ze zat?’

‘Nee, toen nog niet.’

Ik dacht terug aan de crematie. Ze had me bij onze ontmoeting zo dicht op de mond gezoend dat ik precies kon ruiken wat de hare in was gegaan: koffie en Marlboro. Haar ogen waren groot en nattig toen ze vroeg of we zin hadden om nog een borrel te drinken in zijn favoriete café.

‘Volgens Winny hebben oma en jij hem mishandeld.’

‘Mishandeld is een groot woord.’

‘Hij heeft drie maanden in coma gelegen.’

‘Twee.’

Ze keek naar de bodem van haar glas limonade. Met het rietje probeerde ze de ijsblokjes langs de rand omhoog te duwen. Ik had met opzet gewacht tot mijn oma de deur uit was. Samen kon ik ze niet aan, maar zonder die ouwe bulldozer was mijn moeder een behapbare prooi. Ondanks dat was mijn hele lijf gespannen. Voor ons beide was dit onbekend terrein, over mijn vader werd niet gesproken. Over mannen in z’n algemeen niet eigenlijk. We hadden al lang geleden een stilzwijgend pact gesloten: mannen waren lucht. Hun helft van de wereldbevolking werd gedoogd om het zaad, maar het waren allemaal klootzakken onder leiding van de opperklootzak, wijlen Kees, mijn vader. Meer diende er niet besproken te worden. Huiselijk geweld leek me echter een uitzondering.

‘Mam?’

‘Ik zat op dat moment niet zo lekker in mijn vel.’

‘Dus hebben jullie hem bewerkt met een asbak?’

‘Je oma had er niet zo veel mee te maken.’

Mijn oma vertelde weleens verhalen over die tijd, maar dit detail was de revue nooit gepasseerd. Mijn moeder kon blijkbaar nog geen cactus in leven houden, laat staan een baby. Bovendien was dat de periode waarin mijn vader Winny leerde kennen. De kraamverzorgster had hem naar Kruidvat gestuurd om crème te halen voor mijn moeders geïrriteerde tepels en zij stond achter de kassa. ‘Hij vergat je moeder nog voor je navelstreng loskwam’, zei mijn oma altijd op spottende toon. Ook de kraamverzorgster moest door naar de volgende baby. Mijn oma stond elke ochtend om negen uur voor de deur, haar armen vol Tupperware bakken gehakt en nasi. Ze bestierde ons huishouden zo goed als ze kon. Ze verschoonde mijn luiers en mijn moeders pyjama’s. Ze stopte mij in bad en dwong haar onder de douche. Mijn oma gaf mij de fles en mijn moeder trakteerde ze op chocolade zeebanket. Tegen mijn vader zei ze dat hij met mijn moeder langs de dokter moest, want ze vond het niet normaal dat haar dochter zelfs televisiekeek als ie uit stond. Hij had haar zorgen alsmaar weggewuifd, hij vond het haar eigen schuld. Ze had mijn moeder haar leven lang alles uit handen genomen. Door mijn oma zat hij met de gebakken peren: zijn vrouw stonk naar zure melk, zijn kind naar kak en zijn nasi naar ouwe wijven. Mijn oma krijgt er nog kleur van als ze het vertelt. Wat ze graag doet overigens.

 

‘Ik was heel boos op hem,’ gaat mijn moeder verder.

Als het ijs in haar glas is gesmolten, is het tafelkleed aan de beurt. Ze duwt haar vinger door een klein gaatje in het plastic zodat het rekt, net zo lang tot er nog een vinger bij past. Langzaam heft ze haar hoofd op, haar ogen blijven hangen op een punt achter me.

‘Wat dan?’ dring ik aan.

‘Hij wilde me alleen met jou achterlaten.’

Ze zuchtte diep alsof ze zich schaamt voor wat ze wil zeggen.

‘Ik wist niet waar de luiers lagen of wanneer je moest eten.’

Er rolt een traan over haar neus en vanaf het puntje valt ie op het papiertje met de spelletjes uitslagen van de vorige dag. Ze grijpt naar het pakje sigaretten naast de asbak en veegt de mascara van haar wangen terug naar haar ooghoeken.

‘Je oma was er ook niet en ik raakte gewoon in paniek. Ik kon niet alleen met jou achterblijven, je maakte zo veel geluid en daar was ik op dat moment niet tegen bestand. Je vader mocht die deur niet uit, hij zou nooit meer zou terugkomen.’

 ‘En oma? Wat deed oma?’

‘Die heb ik gebeld geloof ik. Zij heeft de ambulance naar dit adres gestuurd. Ik denk dat je oma zijn leven gered heeft want zijn achterhoofd was totaal opengebarsten.’

 

Ik moet denken aan het tapijt in de gang, onder de kapstok, één klein donkergrijs vlak tussen okergele stof. Het was er later ingelegd. Niks hondenpoepvlek, maar mijn moeder die voor het eerst in maanden vuur in haar ogen heeft. Mijn vader met zijn rug naar haar toe, maaiend met zijn handen door de jassen, opzoek naar de zijne, te ongeduldig om te zien dat ie bovenop hangt. Vlak voor ze bij hem is maakt ze een sprong, tilt de asbak met twee handen boven haar hoofd en plant hem daarna met al haar kracht in zijn achterhoofd. Hij zakt door zijn benen, zijn knieën raken als eerste de grond. Daarna valt de rest van zijn lichaam recht naar voren, als een trekpop waarvan alle touwtjes tegelijk worden doorgeknipt. Zo blijft hij liggen, zijn linkerwang op de grond, zijn ogen halfopen. Zijn bloed zuigt zich meteen een weg door het tapijt. Mijn moeder laat de asbak los, met een bonk valt ie op de grond. Aan de rand zit een pluk haar.

 

 

Ik probeer de rest van mijn moeders verhaal af te luisteren. Ze hadden haar vijf maanden opgenomen voor een zware postnatale depressie en mijn vader hielt er geheugenverlies aan over. We waren vreemden voor hem. Winny zat elke dag naast zijn bed.

 

Ik had willen horen dat hij was begonnen, dat het zelfverdediging was, of een stom ongelukje. Hij vloog uit mijn handen. Glad rotding, zoiets. Dan hadden we daarna de boodschappen kunnen uitpakken of samen in de Wehkampgids kunnen kijken voor een badpak. Dan was hij de schuld gebleven van haar zenuwachtige vingers. Omdat hij een hufter was mochten mijn moeder en mijn oma zich gedragen als twee zure melkpakken. Eén rake klap met een asbak en alles lag aan diggelen.

‘Ik begrijp best dat je boos bent, maar die paar maanden in coma hadden hem heus geen leukere vader gemaakt,’ besluit ze. ‘Eens een lul, altijd een lul.’

Midden op tafel staat een asbak, van hardhout. We hebben hem meegenomen uit Gambia twee jaar geleden. Weegt minstens een kilo.

‘Ik ga friet halen.’ Hoor ik mezelf zeggen.